Rivas, Nicaragua, 1 juli 2007
Met drie dragen vertraging gisteren aangekomen in Nicaragua. We zijn nu in Rivas, de eerste echte stad, een kleine veertig kilometer over de grens met Costa Rica. De drie dragen vertraging hebben we doorgebracht in La Cruz, de laatste stad in Costa Rica voor de grens. Dit onder andere omdat Frans alsmaar griep bleef houden. We waren deze dagen tegelijkertijd ook in Nederland. Vanwege het weer: Het was echt koud, het stormde en de regen viel in immense hoeveelheden. Bar en boos. Maar ook vanwege het nieuwe huis dat we plotsklaps de vorige week gekocht hebben. Druk met mailen naar Nederland, nadenken over meer- en minderwerk, ons druk maken over een keukeninrichting, enzovoort. Dagen achter elkaar de beste klant geweest in het plaatselijke internetcafé. Dus wat het nieuwe huis betreft kwamen die dagen oponthoud zeer goed uit.
Maar nu zijn we weer helemaal op weg. Gisteren de grens overgegaan. Een interessante operatie. Eerst de uittocht uit Costa Rica. Aan één loket zat een stempelende meneer voor de uitreisstempels. Buiten stond een gestaag groeiende rij wachtenden, uiteindelijk tot zover als we konden kijken, een paar honderd meter ver. Buiten, vlakbij het loket, vormden zich twee à drie alternatieve rijen van mensen die om wat voor reden vonden dat ze voorrang hadden, bijvoorbeeld omdat ze kinderen bij zich hadden of mank liepen. Mensen die vaak luid schreeuwden en riepen en met paspoorten zwaaiden. Bij de ingang van het loket stond een politieman die eens in het kwartier een klein clubje mensen binnenliet. Voor een klein deel uit de lange rij wachtenden en voor een groot deel uit de alternatieve rijen, veelal mensen met een Costa Ricaans paspoort. De lange rij wachtenden bestond voor een groot deel uit Nica´s, mensen uit Nicaragua, met een baantje in Costa Rica. Vanwege een korte vakantie in Costa Rica wilden ze even het thuisland bezoeken. Zeker weten dat een groot deel van hen gisteren de grens niet is overgekomen. Wij hadden geluk, zoals een Nicaraguaan tegen ons zei toen we – na twee uur wachten – door een douane-man uit de rij gepikt werden en de wachtruimte voor het loket werden ingeloodst. We hebben het gretig geaccepteerd, moe als we waren, Frans nog steeds grieperig en nog een stevige fietstocht in het vooruitzicht.
De stempel was bij ons zo gezet, bij anderen duurde dat veel langer. En vervolgens, na een kilometer niemandsland, wenkt de Nicaraguaanse grens. Daar hadden we een visum voor nodig. Via het Costa Ricaanse loket hadden we daarvoor een wit papier gekregen. Echter, de eerste Nica-douanier die ons onder ogen kreeg, vroeg onze paspoorten. Hij bezag met zijn gezagvolle blik die witte papiertjes en zei ons dat die niet goed waren. We moesten gele hebben. "En de meisjes daar (achter hem) die konden ons er wel aan helpen". Die wilden ons inderdaad zo’n geel frommelpapiertje verstrekken maar alleen tegen een stevige fooi. Geen probleem, vonden wij, want zo´n papiertje heb je nodig. We vullen keurig deze formuliertjes in en gaan vervolgens opgewekt het volgende Nica-douanekantoor tegemoet, een paar honderd meter verderop. Hier gelukkig een bescheiden rij. En als we na een half uurtje aan de beurt zijn wacht ons de verrassing die je eigenlijk van te voren kunt uittekenen: Die gele papiertjes zijn niet goed, we hadden de witte nodig.
En zo duurde onze grens-overgang al met al een uur of vijf. Maar toen waren we ook echt helemaal in Nicaragua. Oh neen, toch nog niet; we moesten eerst nog een extra documentje kopen aan een ander achteraf gelegen loket dat we bij toeval vonden. Dit papier was nodig om door de aangrenzende gemeente te mogen fietsen. Maar toen waren we er echt helemaal.
En met heel veel genoegen. Eerste indruk: wat is Nicaragua toch een veel leuker land dan Costa Rica. De muziek is weer zoals het hoort, gewoon latijns amerikaans. En niet, zoals in Costa Rica, een waterige mix van Amerikaanse deunen, softe latino muziek, rap en reggaeton. De mensen hebben onderling veel plezier, er wordt veel meer gelachen, er is levende muziek in de cafés. De steden hebben sfeer, mooie koloniale huizen en heel veel kleur. En, niet te vergeten, overal weer schommelstoelen en hangmatten bij de huizen waar grif in geschommeld en gehangen wordt. In Costa Rica is het de natuur. In Nicaragua zijn het ook de mensen die maken dat wij het erg naar de zin hebben. Mensen hebben vaak weer tijd en zin in een praatje. Je voelt je niet meer alleen bekeken als toerist. En we horen nu de vooroordelen van de andere kant: Nicaraguanen zijn in de ogen van de Costa Ricanen lui en onbetrouwbaar. Ze zijn soms gevaarlijk en brengen de misdaad in het land. Costa Ricanen, zo horen we nu, zijn in de ogen van de Nicaraguanen oppervlakkig, hooghartig, gestresst en erg uit op geld.
Maar ook in een ander opzicht zijn de veranderingen enorm. Je merkt onmiddellijk dat je het rijkste land in Centraal Amerika verlaat en dat je het één na armste land (na Haïti) binnengaat. De huizen zien er in Nicaragua veel meer vervallen uit, de mensen zijn armoediger gekleed. De voorzieningen zijn veel slechter, veel huizen hebben bijvoorbeeld geen water. De armoede is voor een deel nog steeds het gevolg van een boycot en blokkade (incl. medicijnen en voedsel) die indertijd de regering Reagan had ingevoerd nadat de heer Somoza senior eindelijk was vermoord. Hij liet landbezit achter ter grootte van een land als El Salvador. En meer dan vijftigduizend doden. Maar er is nu in ieder geval veel vrolijkheid en swing in het land. We hebben veel associaties met Cuba. Alleen, het is al net als in Panama en in Costa Rica: de gringo´s zijn overal. Frans moet regelmatig zijn allergie voor het overluid hoorbare Amerikaanse geknauw onder controle zien te houden. Het grijpt je bij de oren en bij de lurven.
We hebben vandaag ook gebruikt om onze verdere reisplannen in Nicaragua wat te concretiseren. We hebben besloten om vooral om het meer van Nicaragua te gaan reizen, een enorme binnenzee. Oppervlakte bijna Nederland. Er leven haaien in deze zee die dol op mensenvlees schijnen te zijn (geen fabeltje). Ze zwemmen vanuit de Atlantische oceaan de Rio San Juan door en het meer in, zijn in staat zich aan te passen aan het zoete water.
We willen er naar verschillende eilandengroepen gaan. Duim maar flink voor ons met die gammele ferries. Een flink deel zullen we met de bus moeten doen maar dat heeft ook als voordeel dat we wat minder weer-afhankelijk zullen zijn.
Masaya, 7 juli
Gisteren aangekomen in deze interessante stad. Eén van de steden waar indertijd de Sandinistische opstand tegen het regime van de Somoza clan zijn wortels vond. Vooral geïnitieerd door de lokale indianengemeenschappen in deze stad.
De afgelopen drie dagen brachten we door op het eiland Ometepe. Een bijzonder eiland, bestaande uit twee vulkanen, verbonden door een smalle strook laagland. De hoogste vulkaan, Concepción, is nog actief en heeft zo nu en dan een kleine – en soms een wat grotere – uitbarsting. De bewoners blijven er tamelijk laconiek onder. Ometepe ligt in het meer van Nicaragua, een enorm binnenmeer dat ongeveer half Nederland beslaat. Ometepe is het grootste eiland ter wereld dat in een zoetwater-meer ligt. Het zal ongeveer de grootte hebben van ons eiland Tessel. We hebben er onder andere een dag fietsend doorgebracht, soms zwaar klimmend en ten dele over onverharde wegen. Sommige delen van het eiland zijn erg toeristisch, het is een echte trekpleister. Maar in veel van de dorpjes vlak aan ´zee´lijkt het leven stil te staan. Overal lopen de paarden op eigen houtje door de straten, op zoek naar hun kostje, en ook varkens en koeien scharrelen in volledige vrijheid rond. Tientalle vrouwen doen de was een eind buitengaats in het meerwater waar ze primitieve ´tafels´hebben geconstrueerd waarop het werk wordt gedaan, de vrouwen in lange jurken tot aan hun middel in het meer. Ometepe is ook de plaats waar we voor het eerst bestolen zijn. Bij een finca waar we met de fiets naartoe geklommen waren om petrogliefen te bekijken. We lieten de fietsen achter met een rugzakje onder de snelbinders en de kilometerteller van Ineke nog op het stuur. De ecologische finca ademde zoveel rust en sereniteit uit dat we dachten ons dit te kunnen permiteren. Na een wandeling van een uur, teruggekomen bij de fietsen, miste Ineke haar kilometerteller. Maar de rugzak zat nog net zo keurig op de fiets als toen we weggingen. Toch maar even openmaken en de inhoud onderzoeken. Na veel denken en puzzelen bleek onze verrekijker verdwenen en een brood (!). Alle andere zaken, voornamelijk kleren, waren nog aanwezig. Bij Frans was de spin van de fiets gehaald. Toen we terugkwamen van onze wandeling liepen er drie jongens rond te schuimen nabij de fietsen, één was te paard. Ze gingen er gelijk als een speer vandoor, de jongen te paard meteen in galop. Achteraf begrepen we waarom. We hebben het maar zo gelaten. Alleen met de mensen van ons eigen hotel in Ometepe afgesproken dat ze de finca-eigenaar op de hoogte zouden stellen.
Na een nieuwe griep-hobbel, dit keer was Ineke de pineut, terug naar het ´vasteland´en op de fiets naar Masaya wat voor Ineke nogal een klus was omdat de conditie toch nog wat haperingen vertoonde. Maar door kalm aan te doen kom je op zo´n moment een heel end.
Inmiddels worden we in Nicaragua geconfronteerd met veelvuldige stroomuitval, dagelijks gedurende een uur of vijf. Het schijnt de vorige week begonnen te zijn. Onduidelijk is nog waardoor dit gebeurt. Schuldige is Union Fenosa, de spaanstalige onderneming die eigenaar is van de stroomvoorziening in Nicaragua. Tot voor kort bezaten ze ook een groot deel van de stroomvoorziening in de Dominicaanse Republiek. Ook daar begonnen met Union Fenosa de stroomuitschakelingen. In Spanje zijn er regelmatig grootschalige protesten tegen de praktijken van dit bedrijf.
Nicaragua is nog absoluut niet op deze langdurige stroomonderbrekingen ingeregeld. In de ´marktsector´ waarin onze hotels liggen is er bijvoorbeeld nauwelijks één die een aggregaat heeft om de uitval op te vangen. Dat betekent ´s avonds op de kamer schemeren bij kaarslicht en zonder enige verkoeling. Op straat scharrel je voort in het pikke donker (al vanaf zes uur ´s avonds), zorgvuldig tastend en je hoedend voor de talloze gaten en kuilen. En regelmatig vallen in het internetcafé computers plotseling uit waardoor je weer opnieuw kunt beginnen met het werk waar je mee bezig was. Erg handig als je net een huis hebt gekocht en van alles daarvoor moet regelen.
Maar verder is het hier toch weer heerlijk. Met leuke mensen, veel vrolijkheid en bijzondere steden met mooie koloniale gebouwen. Maar ook met veel zwerf- en straatkinderen. Waarvoor natuurlijk talloze hulpprojecten vanuit Europa en de Verenigde Staten worden opgezet. Nicaragua is nog steeds een land dat heftig wordt geknuffeld door allerlei alternatieve groeperingen en via stedebanden (o.a. Nijmegen – Masaya, Utrecht – León). Twee weken geleden nog was Koenders op bezoek, ook hier in Masaya, om de Nederlandse solidariteit te betuigen aan de nieuwe regering van de vroegere Sandinistische held Ortega. Daniël, zoals hij door zijn aanhangers liefdevol wordt genoemd, is echter niet onomstreden. Er wordt met veel wantrouwen naar zijn daden gekeken. Zijn imago wordt enigszins dat van opportunist. Met argusogen wordt gekeken hoe hij de huidige energiecrisis gaat aanpakken.
Masaya, 9 juli
We zijn er nog steeds, in Masaya, de stad bevalt ons. Gisteren hebben we een dagje ´strand´gedaan en gezwommen in een kratermeer, hier een kilometer of tien vandaan. Heerlijk warm water, soms met golven extra warmte, soms even iets frisser. Tot er een gigantische regenbui aankwam zetten van over de kraterwand over het meer. Een spectaculair gezicht. Binnen vijf minuten was de overkant van het meer onzichtbaar geworden en was er een muur van water overal om ons heen.
En, heel bijzonder, de laatste paar dagen zijn we regelmatig opgetrokken met Abby. Abby is een ongelooflijk vitale Nicaraguaanse indiaan van 77 jaar. Hij is arts en jurist, een zeer erudiete man, en heeft zijn hele leven gewijd aan de emancipatiebeweging van indianen op mondiaal niveau. Verder heeft hij veel gewerkt als mediator bij grote internationale geschillen, met name in Afrika. Abby is als klein kind in de dertiger jaren gevlucht toen de Simoza´s begonnen met de vervolging van indianen in Nicaragua. De indianen die een belangrijke steunpilaar waren voor de toen groeiende sandinistische beweging. Hij vluchtte met zijn grootvader naar Canada maar leeft nu sinds zeven jaar weer helemaal in zijn geboorteland. Hij heeft veel gereisd, aan veel universiteiten gedoceerd en is ook een aantal keren wat langer in Nederland geweest. Hij kan prachtig vertellen. Hij is nu op zijn 77e jaar met een aantal medestanders een nieuwe universiteit per internet gestart voor Nicaraguaanse indianen. Een universiteit die gelieerd is aan een aantal bestaande universiteiten in Nicaragua vanwege de erkenning. Er wordt gewerkt met docenten die wonen in een groot aantal verschillende landen. Een zeer bijzondere, uiterst sensitieve en empathische man die ons veel vertelt over de filosofieën en levensuitgangspunten van zijn volk. Hij vertelt ons over van alles, bijvoorbeeld over de projecten die ze, samen met Europese instanties, indertijd in een aantal Europese landen hebben gedaan, om ontbossing en zure regen tegen te gaan. Zij met hun benadering en de Europeanen op de klassiek Europese wijze. Zijn conclusie was dat effectmetingen hadden aangetoond dat de indiaanse aanpak verreweg de beste was en dat dit ook zo door de Europese landen was erkend. Hij zegt dat als het gaat om beheer van bossen veel westerse landen indiaanse benaderingen in hun eigen aanpak integreren. Het is maar dat we het weten.
Hij vertelde nog een prachtig verhaal over een heel bijzondere ontmoeting. Heel in het kort komt het hier op neer: Ergens in het begin van de tweede wereldoorlog voer hij met zijn grootvader in Canada op een rivier. Ze kwamen voorbij een prachtig landhuis, verscholen achter treurwilligen. Op een gegeven moment zei grootvader, die medicijnman was, "we moeten terug, de oude dame in het grote huis heeft me nodig". Ze keerden terug naar dat grote landhuis en werden ontvangen door een jonge mevrouw die omringd was door bewakers. Abby, die moest tolken, vroeg in opdracht van grootvader naar de moeder van mevrouw, die ziek zou zijn. De mevrouw was erg verbaasd dat de man kennelijk wist dat er nog een oude mevrouw in huis was en liet haar moeder roepen. Er kwam een statige oudere dame de trap af, armen over de borst gekruist. Grootvader wist contact te krijgen met de oude dame over een aantal van haar klachten. Gedeeltelijk met behulp van Abby, gedeeltelijk nonverbaal. De beide dames raakten geïmponeerd door de kennis van grootvader. Bij het afscheid wilden ze geld geven maar dit werd nadrukkelijk geweigerd door grootvader. De jonge mevrouw vroeg vervolgens aan Abby of die nog broertjes en zusjes had en kwam met een paar muziekinstrumentjes aanzetten.
Meer dan dertig jaar later, rond 1975, is Abby een bekende internationale activist die opkomt voor indianenbelangen. In het kader daarvan bezocht hij als jurist een meerdaagse bijeenkomst van deskundigen over indianenrecht in Den Haag bij het internationaal hof van justitie. Aan het afsluitende diner van deze bijeenkomst nam ook Juliana deel, samen met Beatrix. Ze raakte in gesprek met Abby, vroeg hem over zijn levensgeschiedenis en nodigde hem uit voor een vervolgontmoeting. Tijdens die ontmoeting stelde ze hem op een gegeven moment de vraag: "Hebben jullie die klompjes nog die ik jullie indertijd gegeven heb". En toen werd alles duidelijk: De dame met haar statige moeder die Abby met zijn grootvader in Canada in het grote huis hadden ontmoet, waren Juliana en Wilhelmina geweest die in die tijd in Canada woonden. En de muziekinstrumentjes die ze toen gekregen hadden waren hollands klompjes geweest.
Masaya, 13 juli 2007
We zijn weer terug in Massaya na een driedaags uitstapje met de bus. We zijn naar de Caribische kant van het land geweest, de stad Juigalpa bezocht en van daaruit de bergachtige binnenlanden in naar het geïsoleerd liggende plaatsje Santo Domingo. Daar hebben we twee dagen doorgebracht. De tocht er naar toe is op zich al een belevenis. Een oud busje brengt ons (veertig kilometer ver, een tocht van twee en een half uur), laverend door de vette modder-met-stenen over deze onverharde weg. We gaan slingerend, hobbelend en botsend naar boven, de bergen in. Onderweg passeren we het dorpje La Libertad, geboorteplaats van de vroegere Sandistische aanvoerder én huidige premier Daniël Ortega. La Libertad heeft een band met ons Nederlandse Doetinchem, zo lezen we tot onze verrassing op een bord aan de buitenkant van het plaatsje.
Santo Domingo zou zo weggeplukt kunnen zijn uit een ouderwetse cowboyfilm. Het is een stadje dat leeft van de goudmijn die er vlakbij ligt. Daar werken zo´n vierhonderd mannen. Doel van ons bezoek was die goudmijn. Andere werkgelegenheid is er eigenlijk niet. En de armoede is overal op schrijnende manier voelbaar. Als buitenstaanders voelen we ons daarbij soms slecht op ons gemak. We verblijven in het hotelletje ´Bar Hotelito San José´ en hebben daar, eufemistisch gezegd, een uiterst eenvoudig onderkomen tot onze beschikking. Het contact met de señora van het hotel is echter uitstekend. Het is een fiere dame die met verve haar koninkrijkje bestuurt. Als we de volgende ochtend willen ontbijten wil ze voor ons een comida tipica (speciaal van de streek) maken. Met crema, een soort zure room. We vinden het goor en geven aan dat we het niet zo lekker vinden. Waarom mevrouw met schelle stem naar de kokkin achterin het etablissement roept: "No les gusta!!", "Ze lusten het niet!!". De schat. Maar als we haar vertellen dat we de goudmijn willen bezoeken, reageert ze enthousiast. Haar schoonzoon werkt er en wil ons vast wel meenemen. Zo gaan we de volgende dag op stap, samen met schoonzoon, zijn vrouw en hun dochtertje. De mijn is niet ver, ruim een kilometer klimmen door de klei en het water (want het regent weer volop).
De mijn blijkt een coöperatie te zijn, bestaande uit een groot aantal groepjes van vijf mannen die elk een mijnschacht exploiteren. Voorheen was deze mijn Amerikaans bezit maar indertijd onteigend door het Sandinistische bewind. Men graaft uit de schacht de goudhoudende grond op. De verdere bewerking, het selecteren van het goud, gebeurt gezamenlijk. Ieder groepje werkt in eigen beheer en voor eigen rekening. Men verkoopt het eigen goud. Van de opbrengst worden de kosten voor de bewerking afgetrokken en vervolgens wordt de rest verdeeld.
We klimmen eerst naar ´de machine´ zoals deze wordt genoemd. Hier wordt het goud gescheiden van de grond. De machine werkt telkens acht uur voor een bepaalde groep. De gehanteerde methodiek is van een eeuw geleden. Zo oud is ook de machine, oorspronkelijk neergezet door die Amerikaanse maatschappij. De machine bestaat uit een viertal machinaal aangedreven enorme stampers en zware stenen die ronddraaien. Zo wordt de aarde verpulverd. Er wordt water aan toegevoegd en dit mengsel wordt vervolgens door een grote glijbak geleid. Deze glijbak wordt met kwik ingesmeerd. Het aanwezige goud bindt zich aan het kwik. Dit kwik-goud mengsel blijft achter in de glijbak. Vervolgens wordt in een andere ruimte door verhitting het kwik weer gescheiden van het goud. We staan er met onze neus boven op en zien geleidelijk de goudbolletjes vrijkomen. De overblijvende aarde wordt weggespoeld naar een riviertje. Andere bewoners van het stadje gaan hier weer op zoek naar achtergebleven goudrestjes. Fascinerend om te zien hoe met behulp van deze ongelooflijk ouderwetse en gammele hulpmiddelen dat dure goud wordt gewonnen.
Vervolgens klimmen we verder omhoog, op weg naar de schachten. Ze zijn tussen de vijf en twintig en vijftig meter diep. We ontmoeten bij één van deze schachten één van de groepen van vijf. De verticale schacht heeft een doorsnee van een centimeter of zestig in het vierkant. Daarin dalen drie van de vijf mannen af, hangend aan een touw, steunend met een voet in een lus. Maar voordat ze afdalen moet eerst zorgvuldig het mijngas worden verwijderd. Dit gebeurt met een grote pomp met vliegwiel. Door aan een grote zwengel te draaien wordt zuurstof in de schacht en de gangen gepompt en komt het gas naar buiten. Met behulp van een carbidlamp die eerst aan het touw naar beneden wordt gelaten, wordt gekeken of het gas voldoende uit de mijn is verwijderd: Als de lamp uitgaat is er nog gas aanwezig, blijft de lamp branden, dan is het beneden veilig. En dan kunnen de mannen dus afdalen. De twee anderen blijven boven achter om te zorgen dat er doorlopend voldoende zuurstof naar beneden wordt gepompt. Verder moeten deze twee de goudhoudende aarde van beneden ophijsen en natuurlijk ook de mannen die beneden aan het werk zijn, weer naar boven halen als dat nodig is.
Als de drie beneden zijn is het natuurlijk raak: De vraag aan Frans of hij ook naar beneden wil. Dat is wel slikken. Maar natuurlijk ook heel spannend en fascinerend om te doen. Hij wil het wel eens meemaken hoe het is om daar diep onder de grond door die gangen te kruipen. En dus gaat ook Frans naar beneden. Inderdaad een heel speciale ervaring. Afdalen in een steeds diepere duisternis. Tot bijna beneden aangekomen, er een klein beetje licht zichtbaar wordt: de carbidlamp. Het is er warm, benauwd en uiterst smal allemaal. Kruipen en bukken door de gangetjes die net een man-breed zijn. En de zuurstofpijp is soms ver weg. De mannen moeten grotendeels op hun knieën het werk doen. Met pikhouweel en spade wordt de grond losgegraven en in emmers gedaan. Elk uitgegraven stuk wordt opnieuw gestut met boomstammetjes en dikke takken. Men is druk doende om in één van de gangen nog weer een schacht van tien meter verder naar beneden te maken. De mannen werken acht uur aaneen ondergronds. Zonder eten. Ze hebben alleen drinken bij zich. Zo wordt heel voelbaar hoe onnoemlijk zwaar dit werk is. Maar ook heel zichtbaar hoe sterk deze mannen zijn, ook mentaal. Met veel ruimte voor grappen. Er wordt zelfs daar diep onder de grond midden in die intense benauwenis soms uitbundig gelachen.
De volgende dag wordt duidelijk dat er een tijdbom onder de coöperatie tikt. Het blijkt dat enige tijd geleden de eigenaren van de grond waarop de mijn is gelegen en die ook de concessies aan de coöperatie hebben verleend, hun eigendom hebben verkocht. Aan iemand ´van heel ver´, niemand die weet wie dat is. We hebben het niet allemaal kunnen begrijpen, het dialect dat deze mensen spreken is erg lastig om te verstaan. Maar er zouden afspraken gemaakt zijn over overdracht van concessies en voor uitbetaling van bepaalde bedragen aan de coöperatie. Het schijnt echter allemaal uiterst onzeker te zijn, van die afspraken lijkt weinig terecht te komen en mogelijk komt er op korte termijn een einde aan het bestaan van deze unieke coöperatie. Mogelijk dat er dan een buitenlandse eigenaar komt waar de mannen voor moeten gaan werken. Met als neveneffect dat de situatie weer net wordt als hij hier vroeger was: Het geld verdwijnt voor een groot gedeelte in de zakken van de buitenlandse bazen.
San Carlos, 17 juli 2007
Vanmorgen om zes uur aangekomen met de ferry vanuit Granada in dit havenstadje, prachtig gelegen aan de zuidkant van het meer van Nicaragua aan de mond van de Rio San Juan. De Rio San Juan, we hadden het er al eerder over, de grootste rivier in het land en ten dele grensrivier met Costa Rica. Het is de verbinding van Nicaragua met de Atlantische Oceaan. Vroeger van groot handelsbelang. San Carlos was erg welvarend. Nu is daar weinig van over en is er veel armoede. Toch wordt het stadje van minstens drie kanten geknuffeld door vriendschapsbanden met Europese steden, waaronder ons nederlandse Groningen. Daarnaast lopen er nog talrijke andere internationale steunprojecten.
De reis naar San Carlos betekent dat we op de terugreis zijn naar Puerto Limon in Costa Rica waar vandaan begin augustus onze vrachtboot vertrekt naar Europa. Voor degenen die ons hier naar vroeger: Dit betekent dat we nu niet verder naar het Noorden gaan. Het ontbreekt ons aan tijd. Het lijkt ons beter om nog een keer terug te komen want wij vinden het land op een prettige manier erg bijzonder.
De boottocht met de ferry over het Lago de Nicaragua duurde ongeveer vijftien uur, we voeren in lengterichting het meer over. Een prachtige tocht, toevallig met schitterend weer en een unieke heldere sterrenhemel.
De dag daarvoor in Granada doorgebracht, gelegen aan de Noordwestkust van het meer. Het is vanwege zijn eenwenoude architectuur een toeristentrekpleister bij uitstek. Maar het is niet onze stad. Er lopen veel te veel toeristen rond, er rijden veel te veel foute auto´s en daartussendoor zijn er veel te veel straatkinderen, lijmsnuivertjes. Overal hangen ze rond of liggen ze hun roes uit te slapen. En wij kunnen er niets mee. En dat voelt heel pijnlijk.
Onze laatste dag in Masaya hebben we het vulkanencluster daar vlak in de buurt verrast met een bezoek. Met name de vulkaan Santiago is interessant omdat deze nog steeds actief is met een dikke rookpluim en veel giftige gassen. Zes jaar geleden was er een stevige uitbarsting. En soms, onverwacht, komt er weer van alles naar buiten. De bedoeling is dan dat bezoekers zo goed mogelijk dekking zoeken maar daar zijn verder geen faciliteiten voor. We kijken pal in de scherpe ronde krater en in de dampende gaten. De aanblik evenaart wat we in Costa Rica bij de vulkaan Poas zagen. We konden met een gids en een paar studenten een lavagrot in die min of meer uitmondt in deze krater. Er leven talloze vleermuizen van verschillende soorten ondanks de giftige gassen die hier regelmatig hangen. Bij het licht van de zaklantaarns vliegen ze alle kanten op. We hadden nu geluk, er was geen gas. Is dat er wel, dan moet je met gasmakker op de grot in.
In Masaya nemen we ook afscheid van Abby, we gaan met hem eten en we zijn wederzijds ontroerd door dit bijzondere contact.
San Carlos, 23 juli
Vanmorgen vroeg teruggekeerd in San Carlos van ons tweede uitstapje dat we doen vanuit dit havenstadje.
Ons eerste tochtje de afgelopen week betrof een tweedaagse trip de Rio San Juan op, richting Caribische kust. Na veertig kilometer kom je dan uit in het dorpje Bocas de Sabalos, gelegen aan de monding van de Rio Sabalo, daar waar deze uitmondt in de Rio San Juan. En ons hotel, voor ons doen zeer luxe, is gelegen precies op die hoek, boven het water. Prachtig uitzicht, het is er heerlijk. We maken er wandelingen het dorp uit en de heuvels in. En we aanschouwen het leven op en om het water. Een enorm varken, pas geslacht, hangt aan de achterpoten bij de rivier om ´uit te lekken´. De kop licht ernaast. Voor ons een ongebruikelijk tafereel, maar hier dagelijkse kost. We zien hoe koeien over het water worden getransporteerd, vastgebonden aan hun kop, hangend naast een varend bootje en zwemmen maar. Trappend en slaand met de achterpoten en lang niet altijd even bereidwillig. Een hertachtig dier, aan de kop te zien, zwemt de enorme Rio San Juan over, wat een afstand. Ook voor hier kennelijk een bijzondere gebeurtenis want iedereen kijkt ernaar en is verbaasd. Het plaatselijke botenbouwertje die houten pancha´s bouwt blijkt een driftig en dominant baasje maar niet onaardig. Hij blijkt ook de plaatselijke hoeder van de eerbaarheid en moet alle hem ter ore komende gevallen van mishandeling en misbruik melden aan de burgemeester en het bevoegd gezag. En moet zorgen dat er actie wordt ondernomen. Niet gemakkelijk want de burgemeester denkt meer aan het eigen dan aan het algemeen belang, zo zegt hij. En voegt er aan toe dat deze burgemeester naar niemand wil luisteren, alleen maar naar hem. En we kunnen ons daar alles bij voorstellen als we hem zo een tijdje aanhoren.
De volgende dag gaan we door naar het Fortaleza van El Castillo, een plaatsje met een fort dat de rivier dient te bewaken en dat een grote geschiedenis heeft. We zien het aan en bedenken ons wat zich hier allemaal heeft afgespeeld. Verder vragen we ons af hoe het mogelijk is dat indertijd grote schepen hier door de stroomversnellingen en ondieptes konden komen. Er zijn verschillende theorieën over. Niemand kent de waarheid. Het fort is in de zeventiende eeuw gebouwd, in eerste instantie om piraten tegen te houden. Ze kwamen vanaf de Caribisch zee en bedreigden vervolgens via het Lago de Nicaragua handelssteden als Granada die hier aan het meer zijn gelegen. In een latere fase moest het fort de Engelsen tegenhouden die ook wel brood zagen in al het fraais dat Nicaragua te bieden heeft. Nog in de jaren tachtig van de afgelopen eeuw is rondom het fort bloedig hard gevochten tussen Sandinisten en Contra´s. De haaien, die altijd rijkelijk door de Rio San Juan gezwommen hebben, hebben in dit stuk van de rivier altijd royaal hun voedsel kunnen vinden.
Na terugkeer in San Carlos zijn we de volgende ochtend doorgegaan naar de Islas de Solentiname. Een afgelegen archipel, in het meer gelegen op een kilometer of twintig vanaf San Carlos. Tot in de jaren zestig stonden de eilanden niet op de kaarten. Ze hebben bekendheid gekregen nadat Ernesto Cardenal zich hier had gevestigd. Cardenal is een geëngageerd socialistisch priester, regelmatig gekapitteld en op zijn nummer gezet door de roomskatholieke paus. Hij is tegelijkertijd dichter en schilder. Onder andere de regisseur van de teksten van de Misa Campesina, gebaseerd op verhalen van de eilandbewoners. Hij heeft veel bijgedragen aan de economische ontwikkeling en de bewustwording van de mensen. Dat laatste heeft overigens niet altijd in hun voordeel gewerkt. Veel jongeren werden opstandig onder het Somoza regime. Dit leidde in 1977 tot een aanval op de kazerne van de Somozatroepen in San Carlos. Natuurlijk werd die aanval afgeslagen en Somoza nam wraak. Een paar weken later werden de eilanden gebombardeerd. De hele infrastructuur werd vernietigd en een paar naaste medewerkers van Cardenal werden geëxecuteerd. Alle bewoners van de archipel vluchtten in kleine bootjes naar Costa Rica.
Nadat de Sandinisten aan de macht kwamen, is de bevolking geleidelijk aan teruggekeerd. Cardenal is minister van Cultuur geworden onder de eerste Sandinistische regering.
Geinspireerd en gestimuleerd door Cardenal is de bevolking aan het schilderen en dichten geslagen. Nu zijn de eilanden bekend om hun eigen stijl primitieve schilderkunst. Verder wordt er veel artesania gemaakt.
Er komen maar weinig toeristen. Er gaat drie keer in de week een bootje naar toe. En wij gaan met graagte mee op vrijdag en de maandagochtend weer terug. We treffen een verzameling eenvoudige huisjes aan, in rij langs het meer. Electriciteit is er niet. Sommige huisjes hebben stroom via zonnepanelen. Anderen doen het met kaarsen en olielampen. We logerenen in een uiterst eenvoudige hospedaje aan het meer met prachtige uitzichten. De kamertjes zijn van hardboard getimmerd onder een zinken dak. En als je buren hebt dan weet je dat. En zij ook. Zeker als de buurman snurkt.
We maken een paar stevige wandelingen en ontmoeten verschillende van de eilandmannen, een uiterst feminine soort, soms echte lieverds. Julio, onze huisbaas, kookt onze maaltijden en zijn vrouw die in het plaatselijke museumpje werkt, helpt hem daarbij. We bezwijken voor de plaatselijke overdaad aan artistieke producten en doen de nodige (overbodige?) aankopen. De laatste dag willen we nog een paar uur naar een nabijgelegen eiland, het eiland waar Cardenal heeft gewoond en nog steeds regelmatig terugkeert. Het kost wat moeite om iemand te vinden die ons voor een redelijke prijs wil brengen en weer wil halen. Men heeft de zaken wat dat betreft goed georganiseerd. Onderling zijn er harde afspraken gemaakt over wie wat doet met de toeristen en wat het moet kosten. Maar goed we maken ons tochtje, bezoeken het prachtige kerkje dat Cardenal heeft gebouwd met mooie kleurrijke schilderingen van de eilandbewoners. We gaan ook zijn huis binnen, je kunt er altijd in, de sleutel zit altijd in het slot. Ja en natuurlijk nemen we even plaats op zijn schommelstoel en genieten van het zelfde uitzicht als hij heeft. We voelen ons even heel interessant.
Vanmorgen vroeg om vijf uur weer met het bootje terug naar San Carlos. Samen met een Spaans en een Amerikaans stel die de laatste dagen ook bij ons in de hospedaje verbleven. Met name de Amerikanen blijken leuke mensen. Heel prima om mee te praten. Erg goed om de vooroordelen jegens Amerikanen, die de laatste maanden sterk zijn gegroeid, te relativeren.
En, schrikken, dit is onze laatste Nicaragua-dag. Morgen gaan we met een bootje de grens over naar Costa Rica. De terugreis is nu echt begonnen.